Woordenlijst

IP-adres

Een IP-adres, waarin IP staat voor Internet Protocol, is in een computernetwerk een adres waarmee een NIC (network interface card of controller), of in het Nederlands 'netwerkkaart', van een host in het netwerk eenduidig geadresseerd kan worden binnen het TCP/IP-model, de standaard van "het" internet. Het concept achter TCP/IP en de daarbij behorende IP-adressen is initieel opgezet door DARPA rond 1980. De huidige standaard wordt verder ontwikkeld door de Internet Engineering Task Force (IETF). De wereldwijde administratie van publieke IP-adressen is in handen van IANA, waarbij er wereldwijd door 5 regionale RIR's daadwerkelijk IP-adressen worden uitgegeven. Elke computer die is aangesloten op het internet of netwerk heeft een nummer waarmee hij zichtbaar is voor alle andere computers op het internet. Men kan dit vergelijken met telefoonnummers. Om het mogelijk te maken dat computers elkaar kunnen vinden en identificeren, hebben deze hun eigen nummer nodig. Deze nummers zijn de IP-adressen. Een IP-adres op het internet is meestal gekoppeld aan een bedrijf of instantie. Zo is te achterhalen waar bewerkingen die onder een bepaald IP-adres gedaan zijn, vandaan komen. Bij mensen die vanuit huis werken, identificeert het IP-adres hun internetprovider. Bijdragen op het internet zijn hierdoor bijna nooit werkelijk anoniem. Het werkelijke adres achter een IP-adres is in de meeste gevallen alleen te achterhalen via de internetprovider. In sommige gevallen kan de rechter de internetprovider verplichten de gegevens van de afnemer van de internetverbinding behorende bij het IP-adres te overhandigen.🔗IP-adres

Internet Protocol versie 4

Internet Protocol versie 4 (IPv4) is de vierde versie van het internetprotocol. Deze versie werd voor het eerst op grote schaal gebruikt en vormt de basis voor adressering (de identificatie van computers) binnen het internet.🔗Internet Protocol versie 4

Internet Protocol versie 6

Internet Protocol versie 6 of IPv6 is versie 6 van het internetprotocol voor het gebruik van IP-adressen. Het is de opvolger van Internet Protocol versie 4 en is de tweede versie van het internetprotocol die in gebruik is genomen. De tussenliggende versie IPv5 was een experimentele aanvulling op IPv4, maar deze werd nooit geïmplementeerd. Toen internet in het begin van de jaren negentig populair werd, was het al snel duidelijk dat IPv4 met de maximaal beschikbare ca. 4,3 miljard adressen niet op de toekomst berekend was. IPv6 zou dit dreigende tekort met 128-bit-adressen oplossen. IPv6 werd in december 1998 als Draft Standard, als standaardontwerp geaccepteerd. Een aantal grote bedrijven, zoals Microsoft en Google, bood op 8 juni 2011, de wereldtestdag voor IPv6, de websites voor één dag aan over zowel IPv4 als IPv6 om zo de impact hiervan te testen. Verschillende internetserviceproviders en ondernemingen activeerden op 6 juni 2012 een permanent IPv6. Het werd op 14 juli 2017 een internetstandaard.🔗Internet Protocol versie 6

Whois

Whois (uitspraak: who is) is een protocol om gegevens van een domeinnaam of IP-adres te achterhalen door middel van een query/vraag aan een database. In een whois staan meestal de naam en contactgegevens van de eigenaar, de provider en nameservers van de DNS-servers. Traditioneel werden whois-zoekopdrachten gedaan met het whois command line-programma (IETF standaard RFC3912) , maar tegenwoordig zijn er ook veel websites die deze service bieden. Deze resultaten van een zoekopdracht kunnen per domein verschillen. Omdat het aantal domeinnamen en nieuwe TLD's toeneemt is whois een handig programma waarmee eigenaren en registars van domeinen en IP-adresblokken met een enkele zoekopdracht direct opgezocht kunnen worden.🔗Whois

Hostname

In computer networking, a hostname (archaically nodename) is a label that is assigned to a device connected to a computer network and that is used to identify the device in various forms of electronic communication, such as the World Wide Web. Hostnames may be simple names consisting of a single word or phrase, or they may be structured. Each hostname usually has at least one numeric network address associated with it for routing packets for performance and other reasons. Internet hostnames may have appended the name of a Domain Name System (DNS) domain, separated from the host-specific label by a period ("dot"). In the latter form, a hostname is also called a domain name. If the domain name is completely specified, including a top-level domain of the Internet, then the hostname is said to be a fully qualified domain name (FQDN). Hostnames that include DNS domains are often stored in the Domain Name System together with the IP addresses of the host they represent for the purpose of mapping the hostname to an address, or the reverse process. Internet hostnames...🔗Hostname

Ping (netwerk)

Ping is een hulpprogramma dat wordt gebruikt om bereikbaarheid van een node te testen op computernetwerken en de vertragingstijd, de latency, te meten. Er wordt ook vermeld hoeveel pakketten er verloren zijn gegaan in de sessie. Ping gebruikt het ICMP-protocol om een ICMP ECHO_REQUEST pakket te sturen naar host of gateway in afwachting van een reactie met een ICMP ECHO_RESPONSE pakket. De reactietijd tussen het versturen en het ontvangen van de bevestiging wordt aangegeven als de round-trip time en wordt weergegeven in milliseconden. Een veel gemaakte misvatting is dat ping gebruikt kan worden om de snelheid van een verbinding te meten. Hoewel de round-trip time wel een indicatie geeft over de kwaliteit van een verbinding is het niet mogelijk om de daadwerkelijke snelheid van de verbinding er uit af te leiden. De maker van het computerprogramma ping is Mike Muuss. Hij heeft het programma genoemd naar het geluid dat een sonar in de scheepvaart maakt: ping. Dave Mills van de IETF bedacht later voor ping het backroniem Packet InterNet Grouper – of, humoristischer, "Packet InterNet Groper". De eerste versie van ping was public domain en kwam uit in december 1983. Latere versies van Ping worden verspreid onder de BSD-licentie.🔗Ping (netwerk)

Classless Inter-Domain Routing

Classless Inter-Domain routing (CIDR) is een methode voor het aanduiden van IP-adressen. CIDR werd in 1993 geïntroduceerd als vervanger voor de vroegere adressering op basis van klassen (A/B/C), met als doel de snelle groei van de routingtabellen tegen te houden en het probleem van de beperkte IP-adresruimte aan te pakken.Het belangrijkste verschil met adressering op basis van klassen, is dat bij CIDR exact (op bit-niveau) wordt aangeduid welke bits van een 32-bit IPv4-adres tot het netwerkgedeelte behoren en welke gebruikt worden om de hosts in dat netwerk aan te duiden. De CIDR notatie is dezelfde als bij een IPv4-adres, maar met een "/" (slash) erachter, gevolgd door een decimaal getal tussen 0 en 32 dat het aantal significante bits aanduidt.🔗Classless Inter-Domain Routing

RFC 1918

RFC 1918 is een RFC dat de privé-adresruimte van IP-adressen (IPv4) beschrijft. Privé-adressen zijn adressen die niet routeerbaar zijn op het internet. Door deze beperking wordt het mogelijk de adressen te hergebruiken: verschillende netwerken kunnen binnen het eigen netwerk dezelfde IP-adressen gebruiken. Hierdoor wordt het gebruik van publieke IPv4-adressen verminderd. Om computers (of andere apparaten) die geconfigureerd zijn met een RFC 1918-adres toch gebruik te laten maken van het internet, wordt er tussen het privénetwerk en het internet een network address translation (NAT)-router geplaatst die de RFC 1918-adressen vertaalt in een publiek IP-adres. Op deze manier kan een groot aantal computers één of enkele IP-adressen delen. De vrijgehouden IP-adressen zijn:🔗RFC 1918

Subnet

Een subnet is een deelnetwerk in een netwerk, dat werkt volgens het Internet Protocol. Het werkwoord subnetten betekent het opdelen van een set opeenvolgende IP-adressen (een IP-range) voor adressering op gescheiden fysieke netwerken. Het subnetten vindt zijn uitdrukking in het zogenaamde subnetmasker. Met dit masker wordt door de netwerkbeheerder bepaald welk gedeelte van een IP-adres het netwerk-ID is, en welk deel het host-ID. Door de subnetmaskers weten de routers in het netwerk op welk fysiek segment zich een bepaald adres bevindt, en dus waarheen de gegevens voor dat bepaalde adres moeten worden gerouteerd. Elk IP-adres in een subnet start in de binaire notatie met hetzelfde binaire getal. Dit getal geeft het netwerk-ID weer. Soms wordt dit ook wel aangeduid als netwerkadres of subnet-ID. Omdat de term netwerkadres ook vaak wordt gebruikt om het volledige IP-adres aan te duiden, wordt hier verder steeds de term netwerk-ID gebruikt. De overblijvende bits in het IP-adres vormen het host-ID of hostadres. Om van een IP-adres te weten welk deel behoort tot het netwerk-ID en welk deel tot het host-ID maakt men gebruik van een subnetmasker. In binaire notatie bestaat een subnetmasker uit een rij enen, een voor elke bit van het netwerk-ID deel van het IP-adres, gevolgd door een rij nullen, een voor elke bit van het host-ID deel van het IP-adres. Een subnet wordt geïdentificeerd aan de hand van zijn algemeen IP-adres samen met zijn subnetmasker. Een alternatieve methode voor het subnetmasker is de CIDR-notatie, waarbij men het getal gebruikt dat het aantal bits van het netwerk-ID aangeeft. Een voorbeeld: stel een netwerk bestaat uit 2 computers A en B, welke zijn verbonden met een router, die op zijn beurt via een kabelmodem gekoppeld is aan het Internet. Dit netwerk is opgezet als een subnet, waarbij IP-adres 17.76.99.1 toegewezen is aan computer A en 17.76.99.2 aan computer B. Het subnet werd zo ingesteld op de router dat de eerste 24 bits, oftewel de eerste 3 bytes, het netwerk-ID vormen: 17.76.99. Dit wordt aangeduid via het subnetmasker 255.255.255.0 (binaire notatie: 11111111 11111111 11111111 00000000). De router kan vervolgens zien of een te contacteren IP-adres binnen of buiten het subnet ligt. Het algemene adres waarmee we bij dit voorbeeld het subnetwerk aanduiden is: 17.76.99.0. Als we, in plaats van het opgeven van het subnetmasker, gebruikmaken van de CIDR-notatie wordt het: 17.76.99.0/24, waarbij de 24 in deze notatie erop duidt dat de eerste 24 bits het netwerk-ID vormen en de overblijvende 8 bits het host-ID. In een grote organisatie zou de hoeveelheid gegevens die wordt verstuurd onbeheersbaar worden als elke computer de door elke andere computer verstuurde gegevens via broadcast zou ontvangen. Via subnetten kan de aan een organisatie toegewezen set van opeenvolgende IP-adressen hiërarchisch opgesplitst worden in diverse subnetten. Routers verbinden de verschillende subnetten. Communicatie, van een host vanuit het ene subnet naar een host uit een ander subnet, verloopt via één poort op een specifieke router. Gegevens worden hierdoor enkel nog via broadcast verstuurd binnen het kleinst mogelijke subnet.🔗Subnet

Name server

A name server refers to the server component of the Domain Name System (DNS), one of the two principal namespaces of the Internet. The most important function of DNS servers is the translation (resolution) of human-memorable domain names (example.com) and hostnames into the corresponding numeric Internet Protocol (IP) addresses (93.184.216.34), the second principal name space of the Internet which is used to identify and locate computer systems and resources on the Internet. Although it is typically used in reference to DNS, the term name server may also be used for any computer application that implements a network service for providing responses to queries against a directory service which translates an often humanly meaningful, text-based identifier to a system-internal, often numeric identification or addressing component. This service is performed by the server in response to a service protocol request. Domain Name Server The Internet maintains two principal namespaces: the domain name hierarchy and the IP address system. The Domain Name System maintains the domain namespace and provides translation services...🔗Name server

Traceroute

Traceroute, tracert (op Windows-computers) of tracepath (op enkele Linuxdistributies), is een programma om na te gaan welke route IP-pakketten afleggen naar een bepaalde host. Het werkt doordat de time to live (TTL) waarde bij elke tussenliggende host met 1 verlaagd wordt, wat standaard gebeurt bij datatransitie. Als de TTL waarde 1 bereikt zal de laatste host deze afwijzen en de melding ICMP time exceeded (tijd verlopen) retourneren, met hierbij ook het adres van deze laatste host. Door de beginwaarde van de TTL op 1 te zetten, zal de TTL bij de eerste host 0 worden en zal deze dus een foutmelding geven. Hierdoor wordt het adres van deze host bekend. Door de begin TTL vervolgens met 1 toe te laten nemen, zal de volgende host bekend worden, enzovoort. Het programma mtr is een programma dat identiek is aan bovengenoemde programma's, maar daarnaast ook de packet loss op de route weergeeft. Het programma gebruikt de meldingen van de hosts tussen start en bestemming van de route om na te gaan welke hosts de tussenliggende zijn. Hierbij wordt ook de reactietijd van deze hosts (in milliseconden) weergegeven. Deze hosts worden aangegeven door zogeheten 'hops' (waarbij de eerste host in de route hop 1 is, de tweede hop '2', enzovoorts). Om deze reden wordt traceroute vaak gebruikt om na te gaan waar fouten in een computernetwerk optreden. Volgens de handleiding van traceroute, is dit programma in 1987 ontwikkeld door Van Jacobson naar een suggestie hiervoor van Steve Steering. Met grote foutverbeteringen (of aanwijzingen van een fout) door onder anderen C. Philip Wood, Ken Adelman en Tim Seaver.🔗Traceroute

Nmap

Nmap (Network Mapper) is een opensource-netwerkscanner, oorspronkelijk geschreven door Gordon Lyon (ook bekend onder het pseudoniem Fyodor Vaskovich) en in september 1997 gepubliceerd in het magazine phrack. Nmap werd initieel opgezet als een generieke port scanner voor het Linux-besturingssysteem maar heeft in de loop der jaren veel bijkomende functionaliteit en ondersteuning voor andere besturingssystemen gekregen.🔗Nmap

Port (computer networking)

In computer networking, a port is a communication endpoint. At the software level, within an operating system, a port is a logical construct that identifies a specific process or a type of network service. A port is identified for each transport protocol and address combination by a 16-bit unsigned number, known as the port number. The most common transport protocols that use port numbers are the Transmission Control Protocol (TCP) and the User Datagram Protocol (UDP). A port number is always associated with an IP address of a host and the type of transport protocol used for communication. It completes the destination or origination network address of a message. Specific port numbers are reserved to identify specific services so that an arriving packet can be easily forwarded to a running application. For this purpose, port numbers lower than 1024 identify the historically most commonly used services and are called the well-known port numbers. Higher-numbered ports are available for general use by applications and are known as ephemeral ports. Ports provide a multiplexing service for multiple services or multiple communication sessions at one network address...🔗Port (computer networking)

Internetprotocol

Het internetprotocol, meestal afgekort tot IP, is een netwerkprotocol waarmee computers op een computernetwerk met elkaar kunnen communiceren, zoals op het internet. Sinds 20 juli 2004 worden binnen het internet twee versies van het internetprotocol ondersteund, de versies IPv4 en IPv6. De eerste domeinen die van IPv6 gebruikmaken zijn Japan en Korea. IPv4 wordt in tegenstelling tot veel andere protocollen door alle computers op het internet ondersteund. Het internetprotocol is een onderdeel van een stack die nodig is voor communicatie. In combinatie met het Transmission Control Protocol (TCP) wordt wel over TCP/IP gesproken. Een ander veelgebruikt protocol dat samen met IP gebruikt kan worden is het User Datagram Protocol. Iedere afzonderlijke computer die via IP met andere computers communiceert moet een uniek adres hebben. Aanvankelijk had iedere netwerkkaart een vast adres. Wegens het gebrek aan adressen wordt nu door gebruikmaking van NAT en DHCP meestal een tijdelijk of een intern IP-adres (IP-nummer) toegewezen.🔗Internetprotocol

IPsec

IPsec (of Internet Protocol Security) is een standaard voor het beveiligen van internetprotocol (IP) door middel van encryptie en/of authenticatie op alle IP-pakketten. IPSec ondersteunt beveiliging vanaf het 3e niveau van het OSI-model, namelijk de netwerklaag. Hierdoor kan het gebruikt worden door zowel TCP als UDP maar het levert wel overhead op ten opzichte van bijvoorbeeld SSL dat op hogere OSI-niveaus werkt (en geen UDP kan beveiligen). De standaard is door het IETF vastgelegd in RFC's 2401–2412, optioneel voor IPv4 en verplicht bij IPv6. IPsec wordt vaak ingezet bij VPN-verbindingen.🔗IPsec

Internet Control Message Protocol

Het Internet Control Message Protocol (ICMP) is een onderdeel van het Internetprotocol (IP). Het wordt vooral gebruikt door besturingssystemen voor het sturen van foutmeldingen, bijvoorbeeld om te melden dat een bepaalde netwerkvoorziening niet beschikbaar is, of dat een bepaalde host of router niet bereikbaar is. Soms komt een computergebruiker ook direct met het protocol ICMP in aanraking, voornamelijk bij gebruik van de netwerkdiagnoseprogramma's ping en traceroute. Hoewel het protocol beschreven wordt in een apart RFC-document dat losstaat van het document dat het IP zelf beschrijft, is ICMP een integraal onderdeel van IP, en wordt de implementatie ervan voor iedere IP-module voorgeschreven. ICMP wordt gedefinieerd in RFC 792. Voor Internet Protocol versie 6 (IPv6) wordt ICMP gedefinieerd in RFC 1885. ICMP is een verbindingsloos protocol met IP-protocolnummer 1 voor IPv4 en 58 voor IPv6.Men zou ICMP kunnen beschrijven als het protocol dat de administratie van een netwerk verzorgt; het laat gebruikers toe problemen uit te pluizen, en stelt TCP/IP-implementaties in staat om foutberichten te sturen naar communicatiepartners.🔗Internet Control Message Protocol

Internet Control Message Protocol version 6
Transmission Control Protocol

Het Transmission Control Protocol (TCP) is een verbindingsgeoriënteerd protocol dat veel gebruikt wordt voor gegevensoverdracht over netwerkverbindingen op het internet en op computernetwerken zoals local area networks en thuisnetwerken. TCP/IP is een IP-netwerkprotocol voor stabiele, betrouwbare netwerkverbindingen en geen verbindingsloos protocol zoals UDP en GRE. TCP heeft als kenmerken dat het gegevens in een datastroom kan versturen, waarbij de garantie wordt geleverd dat de gegevens aankomen zoals ze verstuurd werden, en eventuele communicatiefouten, zowel in de gegevens zelf als in de volgorde van de gegevens kunnen worden opgevangen. Hierdoor hoeft een clientapplicatie die TCP als transmissieprotocol gebruikt, geen rekening te houden met de onderliggende netwerkarchitectuur en eventuele fouten in de communicatie. TCP wordt beschreven in het RFC (Request For Comment) 793.🔗Transmission Control Protocol

User Datagram Protocol

Het User Datagram Protocol (UDP) is een van de basisprotocollen van het internet. Het protocol opereert op hetzelfde niveau als TCP en wordt beschreven in RFC 768. UDP is onbetrouwbaar: het protocol biedt geen garantie dat de gegevens daadwerkelijk aankomen, wat bij TCP wel het geval is. Een aantal protocollen dat via UDP werkt, implementeert zelf een verificatiemethode. Hiermee zorgen ze effectief voor een vervanging van de functionaliteit die TCP heeft op dit gebied. UDP wordt veel gebruikt bij toepassingen waar het snel overdragen van de gegevens en een korte reactietijd zeer belangrijk is, en het minder erg is dat er gegevens verloren kunnen gaan, zoals bij telefonie, videoconferencing, DNS of het online spelen van actievolle spellen, zoals first person shooters. Indien TCP gebruikt zou worden voor dit soort toepassingen, zou een fout bij de datacommunicatie leiden tot het telkens opnieuw verzenden/ontvangen van een ontbrekend datapakket totdat het foutloos is overgezet.🔗User Datagram Protocol

Dynamic Host Configuration Protocol

Dynamic Host Configuration Protocol (DHCP) is een computerprotocol dat beschrijft hoe een computer dynamisch zijn netwerkinstelling van een DHCP-server kan verkrijgen. Het DHCP-protocol is gebaseerd op het Internet Protocol IP en werkt met UDP-pakketten.🔗Dynamic Host Configuration Protocol

Domain Name System

Het Domain Name System (DNS) is het systeem en netwerkprotocol dat op het internet gebruikt wordt om namen van computers naar numerieke adressen (IP-adressen) te vertalen en omgekeerd. Hoewel dit "vertalen" genoemd wordt, is het niet meer dan opzoeken van namen in tabellen waaraan nummers gekoppeld zijn. DNS is een client-serversysteem: een opvrager (client) gebruikt het DNS-protocol om aan een aanbieder (DNS-server) een naam of adres op te vragen, waarop de server een antwoord terugstuurt. Het opzoeken van een nummer bij een naam wordt forward lookup genoemd; het opzoeken van een naam bij een nummer reverse lookup. De naamgeving is hiërarchisch opgezet: namen bevatten punten, en organisatorische eenheden corresponderen met onderdelen van de naam. Zo'n eenheid wordt een 'domein' genoemd en een naam een 'domeinnaam'. Zo is bijvoorbeeld de Nederlandstalige Wikipedia te vinden op de domeinnaam nl.wikipedia.org, die (op het moment van schrijven) correspondeert met het IP-adres 91.198.174.192. Deze naam is onderdeel van het domein wikipedia.org, waarvan de domeinnamen door de organisatie van Wikipedia worden beheerd. DNS wordt ook gebruikt in het SMTP-protocol om de mailservers voor een domein op te zoeken, de computers die de e-mail ontvangen die aan de desbetreffende organisatie geadresseerd is. Daarnaast is er een protocol, het Sender Policy Framework (SPF), waarmee van een e-mail versturende computer via DNS kan worden opgezocht of die daartoe volgens zijn organisatie het recht heeft. Dit is een van de instrumenten die zijn ingezet ter bestrijding van wereldwijde spam.🔗Domain Name System

File transfer protocol

File transfer protocol (FTP) is een protocol dat uitwisseling van bestanden tussen computers vergemakkelijkt. Het standaardiseert een aantal handelingen die tussen besturingssystemen vaak verschillen. Een FTP-client (zoals FileZilla) start een verbinding met een FTP-server standaard via TCP-poort 21. De huidige versie is gedefinieerd in RFC 959. Aanvullingen zijn te vinden in RFC 2228, RFC 2640 en RFC 2773.🔗File transfer protocol

Hypertext Transfer Protocol

Hypertext Transfer Protocol (HTTP) is het protocol voor de communicatie tussen een webclient (meestal een webbrowser of een app) en een webserver. Dit protocol wordt niet alleen veel op het wereldwijde web gebruikt, maar ook op lokale netwerken (we spreken dan van een intranet). In HTTP is vastgelegd welke vragen (de Engelse term hiervoor is requests) een cliënt aan een server kan stellen en welke antwoorden (de Engelse term is responses) een webserver daarop kan teruggeven. Elke vraag bevat een URL die naar een webcomponent of een statisch object zoals een webpagina of plaatje verwijst.🔗Hypertext Transfer Protocol

Internet Message Access Protocol

Internet Message Access Protocol, meestal afgekort tot IMAP, is een protocol voor het synchroniseren van e-mail. Eigenlijk wordt er direct op de mailserver gewerkt. Inmiddels is IMAP aan versie 4 toe. IMAP houdt de e-mails bij op de server in een mappenstructuur. Deze wordt dan gelinkt aan het "Postvak IN" van de ontvanger. IMAP houdt een mappenstructuur bij van alle gebruikers. Daarom is het veel complexer dan POP3. IMAP maakt het mogelijk dat een e-mailclient, zoals Outlook Express of Thunderbird, alleen een header op kan halen, of een gedeelte van een bericht. Dat is handig als er via een langzame verbinding of op een pda mail wordt binnengehaald. Een ander groot voordeel van IMAP is dat de mail op de server blijft staan waardoor het mogelijk is om vanaf elke locatie met een IMAP-programma in te loggen en alle mail te bekijken. Dit is een groot verschil ten opzichte van POP3 dat de mails steeds weer opnieuw moet ophalen. Een latere uitbreiding van IMAP is het zogenaamde IMAP Idle-commando, waardoor push e-mail mogelijk is. Met andere woorden: een nieuwe e-mail wordt meteen zichtbaar op de client, en niet pas nadat de client het besluit op te halen.🔗Internet Message Access Protocol

Post office protocol

Post office protocol (POP) is een veelgebruikt protocol voor het ophalen van e-mail van een mailserver. POP3, de meest recente versie van POP, is een internetstandaard voor het overbrengen van e-mail van een server naar een client (e-mailprogramma van de gebruiker) over een TCP/IP-verbinding (gewoonlijk over poort 110). Bijna alle internetproviders bieden een e-mailaccount aan dat beschikbaar is via POP3. POP3 verschilt sterk van de vroegere versies van POP, namelijk POP (gewoonlijk POP1 genoemd) en POP2. Gewoonlijk wordt met de term "POP" POP3 bedoeld als het over e-mail gaat. POP3 en zijn voorgangers zijn zo gemaakt dat de gebruikers zonder constante internetverbinding (zoals dial-up-internet) hun e-mail kunnen ophalen als ze verbonden zijn met het internet, en vervolgens de berichten kunnen bekijken en bewerken zonder dat het nodig is om met het internet verbonden te blijven.🔗Post office protocol

Secure Shell
Telnet

Telnet (TELetype NETwork) is een netwerkprotocol dat het mogelijk maakt op afstand in te loggen op een machine en die via een opdrachtregel te besturen. De computer waarop de Telnetclient uitgevoerd wordt fungeert dan als terminal van de server. Telnet is officieel gespecificeerd in IETF-document STD 8 (RFC 854 and RFC 855), en gebruikt gewoonlijk TCP/IP-poort 23. Het Request for Comments voor Telnet werd op 3 april 1972 ingediend door Jon Postel. De meest gebruikte Telnetclient heet gewoon telnet en is sinds begin van de jaren 80 beschikbaar op Unix. Dit programma kan verbinding maken met andere TCP-poorten dan 23, en kan dus gebruikt worden als "handmatige" client voor andere netwerkprotocollen; de gebruiker moet dan zelf de commando's van het betreffende protocol invoeren en de respons interpreteren; telnet wordt dan in zijn minimale vorm gebruikt omdat de telnet option negotiation niet zal worden gestart door de service waarmee contact gemaakt wordt (dit is immers geen Telnetserver). Het is ook mogelijk telnet in scripts te gebruiken. Het gebruikmaken van Telnet (het protocol of het programma) wordt ook wel "telnetten" genoemd. Telnet was een van de twee eerste applicatieprotocollen op het ARPANET (het andere was FTP). Omdat Telnet niet beveiligd is (alle gegevens, meestal inclusief wachtwoorden, worden in leesbare vorm over het netwerk verstuurd) wordt het steeds minder gebruikt, en stappen steeds meer gebruikers over op het versleutelde alternatief SSH. De versleutelde variant van Telnet, SSL-Telnet, is nooit echt aangeslagen. Telnet wordt nog steeds voor serieuze doeleinden gebruikt, met name voor het opzetten, testen en herzien van verbindingen die onder andere protocollen draaien. Ook zijn er nog wel servers die via Telnet bereikbaar zijn. Een voorbeeld daarvan is de New York Public Library, de bibliotheek van New York. Die is te bereiken op telnet://nyplgate.nypl.org. Verder maken hobbyisten nog gebruik van Telnet om een BBS te draaien en draaien veel MUD's en MUCK's op een Telnetserver. Ook veel kleinere netwerkapparaten zoals printers en routers zijn vaak via een Telnetsessie in te stellen. Ook zijn er hele films omgezet naar ASCII om zo via Telnet bekeken te worden. En op de meest onverwachte momenten kan een ICT'er nog met Telnet geconfronteerd worden. Sommige VoIP telefooncentrales maken nog gebruik van Telnet om dect-telefoons bij het systeem aan te melden.🔗Telnet

American Registry for Internet Numbers

De American Registry for Internet Numbers (ARIN) is de Regional Internet Registry (RIR) voor Canada, veel Caraïbische en Noord-Atlantische eilanden, en de Verenigde Staten. ARIN verzorgt de distributie van Internetnummers, waaronder IPv4 en IPv6 adresruimte en AS nummers. Sinds 22 december 1997 levert ARIN zijn diensten na op 18 april 1997 te zijn opgericht. ARIN is een nonprofit organisatie met het hoofdkwartier in Chantilly, Virginia, VS.ARIN is een van de vijf Regionale Internet Registry's (RIR's) in de wereld. Zoals voor de andere RIR's het geval is, geldt voor ARIN dat het: zorgt voor diensten die te maken hebben met de technische coördinatie en management van Internetnummers de ontwikkeling van beleid door de leden en aandeelhouders faciliteert deelneemt aan de internationale Internetgemeenschap een non-profitorganisatie is, met de gemeenschap als haar basis bestuurd wordt door een raad van bestuur die door de leden wordt gekozen🔗American Registry for Internet Numbers

Réseaux IP Européens Network Coordination Centre
Asia-Pacific Network Information Centre
Latin America and Caribbean Network Information Centre
African Network Information Center

African Network Information Center (AfriNIC) is de regional Internet Registry (RIR) voor Afrika. Het hoofdkwartier van AfriNIC bevindt zich in Ebene City, Mauritius. Adiel Akplogan is de CEO van AfriNIC. De organisatie heeft rond de twintig medewerkers.Voor de vorming van AfriNIC werden IP-adresblokken voor Afrika gealloceerd door APNIC, ARIN en RIPE NCC.Vanaf 2004 werd AfriNIC door ICANN erkend, sinds april 2005 is dit officieel. Anno 2011 zijn de volgende CIDR IP-adresruimtes aan AfriNIC toegekend: 41.0.0.0/8, 102.0.0.0/8, 105.0.0.0/8 and 197.0.0.0/8 en IPv6 adresblokken 2c00::/12 and 2001:4200::/23. AfriNIC is ook verantwoordelijk voor de volgende adresruimte: 196.0.0.0/8 en 154.0.0.0/8.🔗African Network Information Center

Talen